Het Grote Exitable Online Marketing en Development Woordenboek

Het Grote Exitable Online Marketing en Development Woordenboek

31 oktober 2018 (Digital) Marketing, Development

We gooien er af en toe termen uit, als marketeers en developers! Logisch dat niet iedereen daar kaas van kan maken. Geen probleem ook, want hier is Het Grote Exitable Online Marketing en Development Woordenboek. Al onze nerd termen op een rij: vakjargon, mét uitleg in normale mensentaal.

We zijn een internetbureau. Oftewel: een club nerds die samen het web een beetje beter maken, door goede online producten en strategieën neer te zetten. Websites, intranet, apps en meer bouwen we, digitale oplossingen die doen wat ze moeten doen.

Een specifiek vak, dat online marketing en development. Een vak dat überhaupt relatief nieuw is en ook nog eens op rap tempo blijft vernieuwen. Logisch dus, als niet iedereen bekend is met ons vakjargon. Niet alleen de loze kantoortermen, maar minstens zozeer de relevante development en marketing termen die écht ergens goed voor zijn.

Daarom even alle nerd termen op een rij, mét uitleg in normale mensentaal – in Het Grote Exitable Online Marketing en Development Woordenboek – op alfabetische volgorde: 

Agile

Eentje die rechtstreeks uit de softwarebranche komt, dus we weten waar het over hebben, als we het “agile werken” hebben. Agile – letterlijk “wendbaar” of “lenig” – werken betekent op zo’n manier aan een product werken dat je het altijd kunt bijstellen, uitbouwen, updaten of doorontwikkelen.

Geen proces dat begint bij A en eindigt bij Z, en dan opgeleverd wordt met een ferme “zo dat product is klaar”. Nope. We beginnen bij versie A van het product – het Minimum Viable Product – dat snel live (zie L) kan. Zo is er snel een werkend product, én resultaat. Nog niet met alle details en extra functies die je in je hoofd hebt (die zitten in de Backlog, zie B) – maar vanuit die eerste versie  en werken verder naar versie B, C, D, … Steeds doorontwikkelend en verbeterend, met telkens een duidelijk gedefinieerd doel. Én instant resultaat, gebaseerd op gebruikersstatistieken en de wensen en mogelijkheden van de klant.  

Ben je agile of wil je een koekje?” – Danny, Exitable developer, september 2018

Backend 🎾

Tegenover frontend development (even verderop, onder “F”) staat backend development (niet “back hand” trouwens, dit is geen tennis). Je zou grofweg kunnen zeggen dat een site bestaat uit een ‘voorkant’ en een ‘achterkant’. De voorkant is wat jij ziet – frontend – maar wat er ondertussen op de achtergrond gebeurt is de backend van de site; het ‘achter de schermen’ gedeelte van de site.

Je vult bijvoorbeeld een formulier in. Dat doe jij in een netjes getoonde pagina, met heldere invulvakjes en een duidelijke dikke knop onderaan om het in te voeren. Dat is de frontend. De gegevens die je invulde, gaan vervolgens naar de backend, naar een database op de server van de site. Onzichtbaar voor gebruikers, maar desondanks ‘aanwezig’ op de site, aan de ‘achterkant’!

Backlog

In de backlog staan alle opties, wensen, toffe ideeën en stappen voor een online product ‘on hold’ opgeslagen.  Is een sprint (ontwikkelfase, zie S) klaar – onderdeel van Agile werken (zie A) – dan kijk je welke stap er het best als volgt wordt gezet, in de backlog. Een soort tijdelijke opslagplaats van vervolgstappen dus (en geen takenlijst). De backlog is vooral ook een levend wezen: nieuwe opties, wensen, toffe ideeën en stappen worden gaandeweg toegevoegd – om ze niet verloren te laten gaan, en ze op het juiste moment op te pakken in het ontwikkelproces.

Content

Content staat voor alle inhoud op je website of (web)app. Hiermee worden vaak teksten bedoeld, maar het kan ook een video of beeldmateriaal zijn.

Content offer

Uitgebreide content die je aanbiedt aan je gebruikers op je site. Bijvoorbeeld een whitepaper, eguide of ebook. Meestal worden content offers als download aangeboden. Vaak wordt "in ruil" hiervoor bijvoorbeeld om een e-mailadres gevraagd. Met dit e-mailadres kan de aanbieder van het content offer op een later moment nog eens contact opnemen met de geïnteresseerde bezoeker (vaak is zo'n geïnteresseerde bezoeker namelijk een waardevolle "lead")

Conversie

Wanneer een gebruiker doet wat jij voor ogen had op je online platform, dan “converteert” hij: een “conversie”. Daarvoor moet je natuurlijk van tevoren bepalen wát een gebruiker volgens jou dan moet doen.

Op de knop ‘bestellen’ of ‘aanvragen’ klikken bijvoorbeeld, is  een “harde conversie”. Een gebruiker wordt dan direct klant, bijdragend aan de bedrijfsresultaten. Een inschrijving voor de nieuwsbrief bijvoorbeeld, is een “zachte conversie” (ook wel “micro-conversie” genoemd). De gebruiker wordt niet direct klant, maar beweegt wel in die richting (een “lead” noemen we dat – zie L).

Zachte conversies zijn interessante leads om bijvoorbeeld een marketingcampagne op los te laten. Niet te onderschatten, die laatste, terwijl bedrijven vaak alleen naar harde conversies (directe klanten) kijken. Zeker in B2B koopt iemand vaak niet meteen, maar toont eerst interesse en beweegt dan langzaam richting klant worden. Kijk je hier niet naar in je metingen, dan mis je een hoop ‘zachte resultaten’ en kansen om van leads klanten te maken!

In Google Analytics kun je overigens instellen om zowel harde als zachte conversies te meten, los van elkaar. Levert een veel vollediger en waardevoller beeld op! Kun je dit niet? Kunnen wij wel 😊

Cookie 🍪

De smakelijkste van alle online vaktermen, is de “cookie”. Het zijn de gegevens die een site over jouw gebruikersgedrag ontvangt (via de backend, zie B) en doorgeeft aan de browser (het programma waar je de site in hebt geopend, zoals Chrome of Safari). Op die manier onhoudt je browser bijvoorbeeld de gegevens die je invulde in een formulier, en vult ze de volgende keer automatisch aan, of toont je advertenties van producten die je eerder bekeek in een webshop. Sinds 2012 is het wettelijk verplicht om gebruikers om akkoord te vragen voor het doorspelen van hun gegevens via deze cookies.

Meer weten over cookies en wat die AVG er ook alweer mee te maken heeft? Lees het hier.

CMS

“CMS” staat voor “Content Management Systeem”. Het is de software waar een site op kan draaien, ontwikkeld in CMS “frameworks” als Drupal – de favoriet van Exitable – of Wordpress. Voor een CMS wordt meestal gekozen, wanneer een site veel inhoud (“content”, zie C) heeft. Tegenwoordig geldt dit overigens voor bijna alle sites.

Een CMS maakt het "content managen" een stuk eenvoudiger en gebruiksvriendelijker, waardoor je geen programmeerkennis meer nodig hebt als je content wil toevoegen of aanpassen.

CRO

“CRO” staat voor “Conversie Ratio Optimalisatie”. Hierboven heb je gezien wat “conversie” is: het punt waarop een online gebruiker doet wat jij voor ogen had.  Het conversieratio is het percentage van al je bezoekers dat uiteindelijk de gewenste conversie doet. Dit percentage wil je natuurlijk zo hoog mogelijk krijgen. Je blijft dit conversieratio dus continu optimaliseren.

Dat doe je door de site of pagina te verbeteren en doorontwikkelen, op basis van de gebruikersstatistieken. Bijvoorbeeld door “A/B testen” (gebruikers 2 versies van je site laten zien, om te zien welke het best werkt) of door de “customer journey” (de weg die mensen van gebruiker naar klant afleggen) te analyseren en optimaliseren.

CTA

“CTA” staat voor “Call To Action”. Het is een oproep aan de online gebruiker om een handeling te verrichten op je site. Niet letterlijk, maar via digitaal design. Een opvallende knop om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een “banner” (ontworpen beeld of advertentie op je site) die naar een belangrijke pagina leidt, of een “lees meer” knop kan een CTA zijn.  

CTR

“CTR” staat voor “Click Through Rate” of “Click Through Ratio”. Het is de verhouding tussen hoe vaak een banner, knop, link of andere “CTA” (zie boven) wordt weergegeven, en hoe vaak erop geklikt wordt. Hiermee wordt het succes ervan gemeten.

Klikt elke gebruiker die de CTA ziet erop, dan heeft deze CTA een CTR van 100% (zou mooi zijn!). Is het CTR 2%, dan heeft dus 2% van alle mensen die de CTA gezien heeft er op geklikt. Om het CTR omhoog te krikken kun je gaan testen door de banner of link anders te tonen (met ander beeld, tekst of op een andere plek bijvoorbeeld), om te zien of er dan meer mensen klikken, en het ratio dus omhoog gaat.

Drupal

Drupal is het “CMS” dat Exitable het meest gebruikt bij het ontwikkelen van websites met beheerbare “content”: de meest voorkomende variant website. Wij bouwen de site in dit “framework” – het bouwwerk, of de structuur van de site – en de klant of beheerder kan de inhoud vervolgens zelf beheren, door bijvoorbeeld dingen toe te voegen, aan te passen of te verwijderen.

Drupal is een framework dat gebouwd wordt in de programmeertaal “PHP” (zie P), en is één van de meest toegepaste CMS-en ter wereld. Veelgebruikte alternatieven zijn Wordpress of het Joomla! CMS.

Frontend

De “frontend” is de ‘voorkant’ van een site, als tegenhanger van de ‘achterkant’ die “backend” heet. Het is de zichtbare kant van een website, voor jou als gebruiker. Frontend gaat daarom altijd over de interactie met de gebruiker via het visuele deel van een site. “UX Designers” (user experience designers, zie U) ontwierpen de look van pagina, “frontend developers” bouwden hem in de site, met programmeertalen als “Javascript” (voor acties), “CSS” (voor de styling) en “HTML” (voor positionering op een pagina).  

Javascript

“Javascript” is een programmeertaal, gebruikt door Frontend developers. Javascript zorgt ervoor dat bepaalde gedeelten of onderdelen van een pagina interactief zijn (en kunnen bewegen).

Zodra je in de Google zoekbalk een term intikt bijvoorbeeld, komen daaronder suggesties tevoorschijn, passend bij wat jij typt. Of je scrollt over een menu en er komt een submenu tevoorschijn. De site reageert op jou als gebruiker: interactie, beweging. Al dit soort onderdelen zijn gemaakt met Javascript.

KPI

KPI staat voor “Key Performance Indicator”. Het zijn de maatstaven van de doelstelling die je stelt aan een (online) product, om het succes ervan te kunnen meten. Het zijn dus meetpunten, waarop je de definitie van succes baseert. Een KPI moet daarom altijd zo concreet (en dus meetbaar) mogelijk zijn.

Voorbeeld KPI: het bereik van een marketingcampagne op 10.000 views krijgen, gelieerd aan de doelstelling “bereik vergroten”. Of: in Q3 minimaal 3 nieuwe klanten binnenhalen via je site, voortkomend uit de doelstelling “klantenbestand vergroten”.

Live

Wanneer we zeggen dat een online product “live” gaat, betekent het dat het vanaf dan online zichtbaar is voor bezoekers / gebruikers. Het is “de lucht in”, het is de wereld in gestuurd, het is zichtbaar, het is “live”.  

Leads

Leads zijn mensen die mogelijk klant zouden kunnen worden. Dat weet je, omdat ze op een of andere manier interesse in je hebben getoond. Ze hebben zich bijvoorbeeld ingeschreven voor je nieuwsbrief, of hebben een “content offer” (zie C) gedownload waarvoor ze hun gegevens hebben achtergelaten. Leads zijn een interessante groep om marketingcampagnes op los te laten, om ze te “converteren” (zie C) van potentiële klant naar klant.

MVP

MVP staat voor “Minimum Viable Product”. Letterlijk een “minimaal levensvatbaar product”. Het staat voor het online product, wanneer dit in de meest minimale versie klaar is om “live” (zie L) te gaan.

De MVP gaat zo snel mogelijk live, zodat we met deze eerste versie kunnen meten wat er goed werkt en wat er beter kan. Daarop baseren we de tweede versie, en ga zo maar door. Een product wordt op die manier snel gelanceerd en blijvend doorontwikkeld – op basis van feiten en cijfers uit de gebruikersanalyse – zodat het altijd de bewezen beste versie van zichzelf is. Lees hier meer over MVP, en hoe dat werkt.

Open source

“Open source software” is vrij bruikbare code voor het “developen” (bouwen) van een site. Deze code is gratis beschikbaar op het web, en wordt gemaakt en verbeterd door duizenden tot miljoenen developers in de “community” (mensen die met deze software werken).

Exitable werkt alleen maar met open source software, zoals Drupal, Laravel en Grav, en draagt daarmee ook weer bij aan de open source software. Oplossingen die wij gevonden hebben voor technische uitdagingen, zijn weer bijdragen aan de community en dus aan een beter open source systeem.

PHP

“PHP” is een backend programmeertaal of – beter gezegd – “scripttaal” voor (dynamische, of interactieve) websites. Gegevens die in een database zitten aan de ‘achterkant’ van een site moeten bijvoorbeeld ingeladen worden om aan de ‘voorkant’ tevoorschijn te komen.

PHP wordt vooral gebruikt om CMS-sites te developen, met Drupal bijvoorbeeld. Drupal (zie D) is daarbij de software die het framework van een site vormt, PHP is het gereedschap dat dat bouwwerk netjes werkend in elkaar zet.

Pixel Tracking

“Pixel tracking” is het plaatsen van mini-afbeelding op een site van 1x1 pixel, die kan meten wat de gebruiker op de site doet. Hoe vaak gebruikers op een advertentie of knop klikken bijvoorbeeld. Zo’n pixel is niet of amper zichtbaar voor het oog. De data die met zo'n pixel verzameld worden, kunnen geanalyseerd en gebruikt worden voor doorontwikkeling van webpagina’s of campagnes die erop draaien

Privacy Policy

Een “Privacy Policy” of “Privacyverklaring” is de uitleg aan de gebruiker over welke gebruikersgegevens jij als bedrijf verzamelt en wat je daar vervolgens mee doet. Ook beschrijf je hierin hoe je deze gegevens beveiligd. Volgens de AVG die in 2018 is ingevoerd, is deze privacyverklaring verplicht op elke Europese website die gegevens verzamelt. Meer over die verordening en de gevolgen ervan, lees je hier.

Retargeting

Retargeting betekent dat je je pijlen richt op een groep online gebruikers / bezoekers / leads met specifieke kenmerken, gebaseerd op data die je in het verleden al van deze gebruiker hebt verzameld. Je benadert dus als het ware iemand die je al “kent”.

Dat werkt als volgt. Op je website komen bezoekers. Daar doen ze bijvoorbeeld direct een aankoop, of zijn alleen nog maar geïnteresseerd in je bedrijf en schrijven zich in voor de nieuwsbrief, om misschien later een aankoop te doen. Die laatste groep mensen zijn “leads” (zie L). Via “retargeting” zou je deze groep met een marketingcampagne – via een advertentie op een andere site, social media of een e-mail – opnieuw kunnen benaderen om hen over te halen om (nog eens) een aankoop te doen. Je target dus opnieuw deze groep potentiële klanten: retargeting.

SEA

“SEA” staat voor “Search Engine Advertising”. Zoekmachine-adverteren dus. Advertenties voor je site of campagne die in de resultaten van een zoekmachine te zien zijn. Je kunt hier erg gericht adverteren, omdat (bijvoorbeeld) Google veel gegevens van bezoekers bezit – en daardoor advertenties aan precies het goede “segment” (groep mensen) kan tonen.

Zoekmachines werken bij hun advertenties met een bieding-systeem, zoals Google Adwords. Dit gaat op basis van een bieding op zoekwoorden. Wil jij op een specifiek zoekwoord gevonden worden, dan kun je aan Google (of Bing, of andere zoekmachines natuurlijk) aangeven hoeveel geld jou dat waard is. Zodra iemand op dat specifieke zoekwoord zoekt, ga je samen met alle andere bieders op dat zoekwoord de veiling in. Eenzelfde procedure als een "normale veiling", alleen duurt deze veiling maar enkele milliseconden en slaat er niemand met een hamer. Wie biedt het meest om door Google getoond te worden? Win je, dan wordt jouw advertentie getoond. Klikt de gebruiker vervolgens ook daadwerkelijk op je advertentie, dan betaal je.

SEO

“SEO” staat voor “Search Engine Optimization” en is de tegenhanger van “SEA”. Waar je bij SEA betaalt voor een advertentie boven of naast de zoekresultaten, ga je met SEO proberen “organisch” (onbetaald) hoger in de Google resultaten te komen. Klikt iemand dan op je link, dan betaal je niks.

SEO doe je door je website te optimaliseren om zo dus hoger in de “Google Ranking” (zoekresultaten) te komen. Dat doe je o.a. door goede, kwalitatieve en vooral relevante inhoud op je website aan te bieden en deze ook netjes op te bouwen (zowel tekstueel als technisch), volgens de zoekmachine standaarden.

Sprint

Exitable werkt “agile” (zie A), een werkwijze uit de software-wereld die draait om kernachtig en minimalistisch beginnen – met een “Minimum Viable Product” (zie M) – en vanuit daar verder werken. “Scrummen” heet die aanpak van agile werken in de praktijk. De “sprint” is een onderdeel van zo’n scrum projectaanpak. Ook wel “iteratie” genoemd.

Elke keer dat je het product verder doorontwikkelt – een praktisch oneindig proces – doe je dat in een vaste fase tussen de 1 en 4 weken, waarin je van tevoren bepaalt wat je in die tijd gaat realiseren. Dat is een sprint: de tijdsperiode waarin je één afgekaderde doorontwikkeling van een online product uitvoert.

Scrum

Scrummen is een werkwijze die voorkomt uit het “Agile” werken (zie A). Scrummen is dan ook zo ingericht, dat je telkens in tweewekelijkse “sprints” (zie bovenstaand) werkt aan 1 vooraf gekozen onderdeel van het hele project (de “scope”). Alle onderdelen waar je op dat moment bewust niet aan werkt, staan in de “backlog” (zie B).

Bij scrummen werk je in die sprints met een team, waarin ieder een rol heeft. Zo is er de “product owner” – meestal de klant bij ons – die besluiten vormt en het eindproduct bepaalt. Dan is er het “scrum team” dat elk binnen z’n eigen expertise aan de slag gaat – UX designers, Front End en Back End developers, enzovoorts – onder leiding van de “scrum master”, die het project op koers houdt. Lees hier meer over de voordelen van agile werken met de scrum methode.

Stories

“Stories” of “User stories” zijn een onderdeel van werken volgens de scrum methode. In een story beschrijf je een onderdeel (“feature”) van je site door de ogen van de gebruiker, en waarom deze zinvol is voor hem. Gebeurt vaak op sticky notes. Bijvoorbeeld: “Als [soort gebruiker] wil ik [een feature], zodat ik [reden waarom].” Op basis van deze stories gaat het design-, development- en/of marketingteam aan de slag om oplossingen te vinden (en te ontwikkelen) voor de wensen van de gebruikers.

UX Designer

UX Designer staat voor “User eXperience designer”. Dat betekent dat deze vormgever altijd werkt vanuit de gebruiker (user) van een product. Hij kijkt naar behoeftes en gedrag van de gebruiker, via analyses en gebruikerstests bijvoorbeeld. Daar baseert hij zijn ontwerp op.

USP

USP is de veelgebruikte afkorting van “Unique Selling Point”. Een marketingterm die uitgaat van de – letterlijk – unieke verkooppunten van een bedrijf. Waarmee onderscheidt de ene aanbieder of dienst zich van de ander? In de marketing worden deze USP’s gebruikt om de toegevoegde unieke waarde van een product of bedrijf te laten zien.  

Het is een interessante gedachtegang, maar niet eentje waar we 100% achter staan. USP gaat namelijk compleet uit van de (kenmerken van) de organisatie / aanbieder, en niet van de klant / gebruiker. Daarom werken wij liever met “UBR” (zie onderstaand).

UBR

UBR is de afkorting van “Unique Buying Reasons”. Deze gebruiker-gerichte gedachte gaat uit van de redenen waarom een klant bij jouw organisatie zou aankloppen, waarop je je marketing strategie baseert. “Waarom zou de klant voor mij kiezen? (en niet voor de concurrent?)” is de letterlijke vraag die je stelt om achter jouw UBR’s te komen.

 

Download het E-Book "Aan de slag met Inbound Marketing"

Wil je graag aan de slag met Inbound Marketing maar twijfel je ook nog, haal uit ons E-Book de volgende hanvdvaten voor het starten van je eigen Inbound Marketing traject

Download het E-Book